Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA3747

Datum uitspraak1999-08-02
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamRaad van State
ZaaknummersH01.97.0908/YO1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 6 EVRM verplicht niet tot het horen van partijen.


Uitspraak

Raad van State H01.97.0908/YO1. Datum uitspraak: 2 augustus 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet van: A te B (opposant). 1. Procesverloop Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 maart 1999, verzonden op dezelfde datum, gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, is bevestigd de door opposant aangevallen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 juni 1997. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht. Tegen de uitspraak van 23 maart 1999 heeft opposant bij briefvan 28 april 1999 verzet op grond van artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht gedaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Dit verzetschrift is aangehecht. Opposant is ingevolge zijn verzoek op 15 juli 1999 gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Aan de orde is de vraag of de Afdeling bij de uitspraak, waarvan verzet, heeft kunnen en mogen oordelen dathet hoger beroep kennelijk ongegrond was en dat derhalve voortzetting van het onderzoek niet nodig was. 2.2 Die vraag moet naar het oordeel van de Afdeling bevestigend worden beantwoord. Daartoe wordt overwogen dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan, op grond waarvan het betrokken perceel een agrarische bestemming heeft. De bouw van een burgerwoning op die bestemming is niet toegestaan. Vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wetop de Ruimtelijke Ordening kan slechts worden verleend indien voor het gebied ofwel een voorbereidingsbesluit geldt ofwel een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Het één noch het ander is het geval. De door opposant genoemde structuurschets is niet gelijk testellen met een ter inzage gelegd ontwerp voor een herzieningvan het bestemmingsplan. Aan de wettelijke vereisten voor toepassing van artikel 19van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was derhalve niet voldaan. Nu het verlenen van vrijstelling derhalve niet mogelijkwas, kon de bouwvergunning, gelet op artikel 44 van de Woningwet, niet anders dan worden geweigerd. Het door opposant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel kan, wat daarvanzij, niet leiden tot verlening van een bouwvergunning instrijd met de wet. 2.3. Voor het oordeel dat de aan artikel 8:54, eerste lid,van de Algemene wet bestuursrecht gegeven toepassing instrijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenbestaat geen grond. De daarin neergelegde garanties van eeneerlijke procesvoering houden geen algemene verplichting intot het horen van partijen in een rechtsgeding, zeker niet in een geval als het onderhavige, waar opposant in de procedure bij de rechtbank reeds is gehoord en niet te verwachten viel dat hij in de hoger beroepsprocedure ter zitting nog nieuwe relevante feiten en omstandigheden zou kunnen aanvoeren. 2.4. Het verzet is mitsdien ongegrond. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Recht doende in naam der Koningin: verklaart het verzet ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr.J.J.H. Suyver en mr. C.A. Terweevan Hilten, Leden, in tegenwoordigheid van A.M.Th. Schuller, ambtenaar van Staat. w.g. Van Dijk Voorzitter w.g. Schuller ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 1999 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, H01.97.0908/YO1. Verzonden:2 augustus 1999